Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:375

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 januari 2018
Publicatiedatum
7 februari 2018
Zaaknummer
16/7313 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.6 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing persoonsgebonden budget ondanks verzoek zelfstandigheid cliënt

Appellante, bekend met schizofrenie en een afhankelijke persoonlijkheid, ontving huishoudelijke hulp en begeleiding via een pgb dat zij gebruikte om haar ouders te betalen. Het college kende haar aanvankelijk een pgb toe voor zes maanden, waarna een vervolgvoorziening in de vorm van zorg in natura werd toegekend en het pgb-verzoek werd afgewezen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het college voldoende heeft onderbouwd dat een pgb geen passende ondersteuning biedt. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vooruitgang had geboekt en geen vertrouwen had in zorg in natura.

De Raad oordeelt dat uit het overgelegde dagboekje en de zitting niet blijkt dat de zelfstandigheid van appellante op gebieden als dagbesteding buitenshuis en gestructureerd huishouden is toegenomen. Slechte ervaringen met zorg in natura geven geen aanleiding tot verstrekking van een pgb.

Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het pgb-verzoek en handhaaft de voorziening in de vorm van zorg in natura.

Uitspraak

16.7313 WMO15

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
27 oktober 2016, 16/1038 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)
Datum uitspraak: 24 januari 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.E. Groenenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting op 13 december 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Groenenberg en haar moeder. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.A. Willems.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante is onder meer bekend met schizofrenie en een afhankelijke persoonlijkheid. Zij ontvangt sinds enige jaren huishoudelijke hulp en begeleiding van haar ouders, betaald uit een persoonsgebonden budget (pgb).
1.2.
Bij besluit van 17 maart 2015 heeft het college appellante in aanmerking gebracht voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), bestaande uit begeleiding volwassen, voor de periode van 1 maart 2015 tot en met
31 augustus 2015 in de vorm van een pgb. Uit het bij dit besluit behorende plan van aanpak van 24 februari 2015 blijkt dat het college de indicatie heeft verleend voor een periode van zes maanden, zodat verder onderzoek kan worden gedaan naar de meest passende oplossing voor appellante. Appellante heeft het pgb gebruikt om haar ouders te betalen voor de door hen verleende zorg.
1.3.
Bij besluit van 10 september 2015, gehandhaafd bij besluit van 4 februari 2016, heeft het college appellante in aanmerking gebracht voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit begeleiding volwassenen voor de periode van 1 september 2015 tot en met 31 augustus 2017. Het college heeft de aanvraag om een pgb afgewezen en de voorziening in de vorm van zorg in natura toegekend. Hieraan heeft het college artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 ten grondslag gelegd. Volgens het college zijn de doelen van de ondersteuning dat appellante met begeleiding een gestructureerd huishouden voert, zo lang mogelijk zelfstandig woont, een dagbesteding buitenshuis heeft en geen zorgen heeft om haar financiën en zijn de ouders er de afgelopen jaren niet in geslaagd om de zelfstandigheid van appellante op deze gebieden te vergroten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke gronden hij tot zijn in het bestreden besluit neergelegde opvatting is gekomen en dat de levering van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb voor appellante niet een passende ondersteuning biedt.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij wel in aanmerking dient te komen voor een pgb. Volgens appellante heeft zij voldoende vooruitgang geboekt in de periode dat haar ouders de zorg hebben verleend. Door slechte ervaringen in het verleden heeft zij geen vertrouwen in zorg in natura.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 is bepaald dat een pgb wordt verstrekt, indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.
4.2.
Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat haar zelfstandigheid is toegenomen in de periode dat de zorg door haar ouders werd verleend een dagboekje over de periode van 30 juni 2016 tot en met 3 juli 2016 overgelegd. De Raad is van oordeel dat uit de daarin opgesomde dagelijkse activiteiten niet blijkt van een toename van de zelfstandigheid van appellante op gebieden als een dagbesteding buitenshuis en het voeren van een gestructureerd huishouden. Ook uit wat ter zitting is aangevoerd over de huidige situatie van appellante blijkt niet dat met het verlenen van een pgb gewaarborgd is dat de zelfstandigheid van appellante op de gewenste gebieden wordt bereikt. In de omstandigheid dat appellante in het verleden slechte ervaringen heeft gehad met zorg in natura, hoefde het college geen aanleiding te zien om appellante toch een pgb te verstrekken.
4.3.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2018.
(getekend) J. Brand
(getekend) L.H.J. van Haarlem

UM