ECLI:NL:CRVB:2018:3725
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld na beoordeling beperkingen en geschiktheid voor arbeid
Appellant was werkzaam als medewerker technische dienst en meldde zich op 4 april 2012 ziek. Na beëindiging van zijn dienstverband en een wachttijd stelde het UWV vast dat hij per 2 april 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor bepaalde functies. Later meldde appellant zich opnieuw ziek met klachten aan schouder, nek en hoofdpijn. Het UWV besloot per 12 augustus 2015 het ziekengeld stop te zetten, omdat appellant geschikt werd geacht voor de maatgevende arbeid.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond, waarbij het oordeel van de bedrijfsarts en verzekeringsarts werd gevolgd. In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn klachten, onderbouwd met een psychiatrisch rapport.
De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die een zorgvuldig en gemotiveerd rapport uitbracht, waarin werd geconcludeerd dat appellant geschikt is voor ten minste één van de in 2014 geselecteerde functies. De Raad volgt dit oordeel en bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf 12 augustus 2015. Het verzoek om vergoeding van wettelijke rente wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld per 12 augustus 2015 wordt beëindigd.