ECLI:NL:CRVB:2018:37
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van besluit UWV tot beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid
Appellante was werkzaam als thuishulp en meldde zich in 2010 ziek met nek- en schouderklachten. Na beëindiging van haar dienstverband en een WIA-beoordeling werd vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor functies als telefonist/receptionist. In november 2013 besloot het UWV dat zij geen recht meer had op ziekengeld, wat door de rechtbank werd bevestigd.
In 2014 meldde appellante zich opnieuw ziek met knie- en psychische klachten. Na onderzoek in februari 2015 stelde het UWV vast dat haar beperkingen niet waren toegenomen en verklaarde haar hersteld voor de maatgevende arbeid, waarna het recht op ziekengeld werd beëindigd. Ook dit besluit werd door de rechtbank bevestigd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen juist waren toegenomen en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar pijnklachten. De Raad volgde het UWV en de rechtbank, oordeelde dat de medische rapporten zorgvuldig waren opgesteld en dat de beperkingen niet waren onderschat of toegenomen. Het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen en de aangevallen uitspraken werden bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf 18 november 2013 en 26 februari 2015.