ECLI:NL:CRVB:2018:3658
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoeken tot herziening Wubo- en Wuv-besluiten wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante heeft meerdere keren verzocht om herziening van afwijzende besluiten met betrekking tot haar aanvragen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Deze verzoeken zijn steeds afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven tot herziening.
De Raad stelde vast dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vrijheidsberoving heeft ondergaan in de zin van de Wuv, noch dat zij behoorde tot de groep vrouwen en kinderen die door de Mariniersbrigade in een republikeinskamp zijn aangetroffen. De verklaringen over internering in Bondowoso werden niet als betrouwbaar beoordeeld, mede omdat het kamp niet omheind of bewaakt was.
Gelet op de discretionaire bevoegdheid van verweerder tot herziening en het ontbreken van nieuwe feiten, kon het bestreden besluit standhouden. De beroepen van appellante werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en de afwijzende besluiten op grond van de Wubo en Wuv worden gehandhaafd.