ECLI:NL:CRVB:2018:3621
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor eigen werk als huishoudelijk medewerker
Appellante was werkzaam als huishoudelijk medewerker voor 18 uur per week en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na onderzoek door verzekeringsartsen van het UWV werd zij per 25 november 2015 geschikt geacht voor haar eigen werk, waarna haar Ziektewetuitkering werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en geen medisch objectiveerbare oorzaak werd gevonden voor haar lichamelijke klachten. Psychische klachten werden beoordeeld als stemmingsklachten in reactie op een life-event, zonder ernstige psychopathologie.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, met name dat haar psychische klachten waren onderschat en dat zij niet geschikt was voor haar werk vanwege mentale belastende aspecten. De Raad overwoog dat de aanvullende medische informatie betrekking had op een latere datum dan het beslismoment en dat het medisch onderzoek op het moment van beëindiging geen concentratie- of geheugenproblemen toonde. De verzekeringsartsen hadden ook rekening gehouden met haar ziekte van Addison en hypothyreoïdie, maar geen verband gevonden tussen haar klachten en hormonale ontregeling.
De Raad concludeerde dat appellante geschikt is voor haar eigen werk, waarbij het feit dat zij haar werkzaamheden verrichtte voor haar ernstig zieke moeder geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geschikt is voor haar eigen werk en de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd.