ECLI:NL:CRVB:2018:3586
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid ondanks psychische en schouderklachten
Appellant, werkzaam als medewerker buitendienst, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Na medisch onderzoek door verzekeringsartsen stelde het UWV vast dat appellant per 10 maart 2016 geschikt was om zijn maatgevende arbeid te verrichten, waardoor het recht op ziekengeld werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de psychische klachten en schouderklachten geen belemmering vormden voor het werk. Appellant stelde in hoger beroep dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat zijn klachten ernstiger waren, onderbouwd met medische stukken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV een zorgvuldig en volledig onderzoek had verricht, waarbij ook de aanvullende medische informatie was meegewogen. De Raad vond dat activering juist kan bijdragen aan vermindering van klachten en dat de schouderklachten geen belemmering vormden voor de functie. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld te beëindigen wordt bevestigd.