ECLI:NL:CRVB:2018:3549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ziekengelduitkering ten onrechte beëindigd wegens onjuiste functietoetsing
Appellant was werkzaam als klassenassistent en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV beëindigde zijn Ziektewet-uitkering na een beoordeling waarbij werd vastgesteld dat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, gebaseerd op vijf geselecteerde functies. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat de verzekeringsarts de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) correct had aangepast op basis van een deskundigenrapport. Wel oordeelde de Raad dat twee van de geselecteerde functies (met SBC-codes 264122 en 111180) ongeschikt waren vanwege de fysieke belasting die niet verenigbaar is met de beperkingen van appellant. Hierdoor moest de schatting van het verdienvermogen worden gebaseerd op de drie overige functies.
De Raad stelde vast dat appellant niet meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen en dat het UWV het besluit tot beëindiging van de uitkering ten onrechte in stand had gelaten. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het besluit van het UWV herroepen en het recht op ziekengeld vanaf 2 mei 2014 vastgesteld. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de ziekengelduitkering wordt vernietigd en het recht op ziekengeld wordt vanaf 2 mei 2014 vastgesteld.