ECLI:NL:CRVB:2018:354
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Geen bijstand met terugwerkende kracht voor verblijf in buitenland wegens territorialiteitsbeginsel
Appellant verbleef van januari 2012 tot mei 2015 in Ivoorkust en vroeg bijstand aan over deze periode. Het college wees dit af op grond van het territorialiteitsbeginsel in artikel 11 van Pro de Participatiewet, dat vereist dat bijstand alleen wordt verleend aan personen die in Nederland wonen.
Appellant stelde dat er sprake was van zeer dringende redenen op grond van artikel 16 van Pro de Participatiewet, waardoor hij toch bijstand zou moeten ontvangen. Hij verwees naar financiële problemen door een eerdere onrechtmatige korting op zijn WW-uitkering, waardoor hij noodgedwongen naar het buitenland ging.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van een acute noodsituatie die alleen met bijstand kon worden verholpen. In Ivoorkust ontving appellant kost en inwoning van zijn broer, waardoor geen levensbedreigende situatie bestond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat het bijstandsbesluit niet onrechtmatig was.
Daarmee werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; geen bijstand over verblijf in buitenland en geen schadevergoeding.