ECLI:NL:CRVB:2018:3525
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig administratief medewerkster, viel uit wegens buikklachten en vroeg herbeoordeling van haar arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde op basis van medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijsten (FML) vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde haar WIA-uitkering per 1 augustus 2014.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, onder meer vanwege fibromyalgie. Diverse verzekeringsartsen onderzochten haar situatie en kwamen tot de conclusie dat haar belastbaarheid zou toenemen en dat zij geschikt was voor drie functies. De rechtbank vernietigde het besluit wegens een motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het zorgvuldige medische onderzoek en de juiste toepassing van de wet bevestigd. De Raad oordeelde dat appellante niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt is en dat de vastgestelde belastbaarheid niet is overschat. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De beslissing is genomen door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 25 oktober 2018.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; WIA-uitkering terecht beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.