ECLI:NL:CRVB:2018:3524
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering en boete wegens gezamenlijke huishouding bij nabestaandenuitkering
Appellante ontving vanaf november 2008 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) trok deze uitkering per 1 maart 2014 in nadat bleek dat appellante sinds 25 februari 2014 samenwoonde met haar neef. De Svb vorderde vervolgens een bedrag van €16.772,66 terug en legde een boete van €7.050,- op, later verminderd tot €1.430,-.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit niet-ontvankelijk omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. Tevens oordeelde zij dat de Svb terecht de terugvordering en boete had opgelegd, omdat sprake was van een gezamenlijke huishouding die niet was gemeld. Appellante betwistte in hoger beroep het feitelijke samenwonen met haar neef en voerde aan dat hij feitelijk bij haar zwager verbleef.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de motieven van de rechtbank. Uit inschrijving in de Basisregistratie Personen, verklaringen van een gemeentemedewerker, de aanvraag om bijstand door de neef en het ingevulde formulier van de Svb bleek dat sprake was van gezamenlijke huishouding. De Raad vond de verklaring van appellante niet geloofwaardig en oordeelde dat geen dringende redenen bestonden om af te zien van terugvordering of boete. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering en boete wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding.