ECLI:NL:CRVB:2018:351
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- E.C.R. Schut
- M. Schoneveld
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van uitspraken over onvoldoende feitelijke grondslag voor gezamenlijke huishouding en intrekking bijstand
Betrokkene 1 ontving bijstand als alleenstaande en het college van burgemeester en wethouders stelde dat betrokkene 1 en betrokkene 2 een gezamenlijke huishouding voerden, wat leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand. Het college baseerde dit op onder meer sociale recherche, getuigenverklaringen en waarnemingen.
De rechtbank vernietigde de besluiten omdat onvoldoende was vastgesteld dat sprake was van een gezamenlijke huishouding op de betrokken adressen. Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraken.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het college onvoldoende feitelijke grondslag had om de gezamenlijke huishouding aan te nemen. Waarnemingen en getuigenverklaringen boden geen overtuigend bewijs, en ook het elektriciteitsverbruik was onvoldoende indicatief. De Raad bevestigde daarom de uitspraken van de rechtbank en veroordeelde het college in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraken dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor intrekking van bijstand wegens gezamenlijke huishouding.