Appellant ontving bijstand onder de Participatiewet en had in de periode juli 2014 tot augustus 2015 gewerkt en daarnaast een WW-uitkering ontvangen. Het UWV herzag de WW-uitkering en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug wegens niet-melding van inkomsten. Het college had de inkomsten uit arbeid en WW-uitkering gekort op de bijstand.
Appellant maakte bezwaar tegen de korting, stellende dat hij daardoor te weinig bijstand ontving. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank vernietigde dit besluit en verklaarde het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie niet-ontvankelijk, omdat die specificatie geen besluit zou zijn.
De Centrale Raad oordeelt dat de uitkeringsspecificatie over september 2015 wel een besluit is omdat het een ander bedrag aan korting bevat dan in augustus 2015. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het collegebesluit ongegrond. De WW-uitkering, ook al is deze later teruggevorderd, wordt als inkomen aangemerkt. Appellant had redelijkerwijs moeten weten dat hij inkomsten moest melden bij het UWV. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten.