ECLI:NL:CRVB:2018:3492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WGA-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, viel uit wegens een enkelfractuur en ontwikkelde depressieve klachten. Vanaf 2 september 2013 ontving zij een loongerelateerde WGA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een fraudemelding werd haar arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld door een verzekeringsarts en psychiater Vreeburg, waarna het UWV op 5 februari 2015 besloot de uitkering met ingang van 6 april 2015 in te trekken.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar medische beperkingen, waaronder ernstige rugklachten en een chronische depressie, werden onderschat. Zij stelde dat het onderzoek niet onafhankelijk was en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische rapportages inzichtelijk en gemotiveerd waren en dat alleen objectief vaststelbare beperkingen in aanmerking worden genomen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en overhandigde zij een brief van Indigo ter onderbouwing van haar psychische gesteldheid. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat de aanvullende informatie niet tot andere conclusies leidt. Er waren geen aanwijzingen voor een gebrek aan onafhankelijkheid van het medisch onderzoek. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de WGA-uitkering bevestigd.