ECLI:NL:CRVB:2018:3430
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen uitkeringsspecificatie maart 2016 wegens ontbreken procesbelang
Appellant ontvangt sinds 2003 bijstand en maakte bezwaar tegen inhoudingen op zijn uitkering, met name tegen een bedrag van €58,36 ingehouden in maart 2016. Het college verklaarde het bezwaar tegen deze specificatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang, omdat het bedrag inmiddels was nabetalend.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. In hoger beroep betoogde appellant dat hij recht had op nabetaling van onrechtmatig ingehouden bedragen over een langere periode en een vergoeding wegens het niet in acht nemen van de beslagvrije voet.
De Raad overwoog dat het bezwaar alleen betrekking had op de maand maart 2016 en dat het ingehouden bedrag van €58,36 inmiddels was terugbetaald, waardoor appellant geen belang meer had bij het bezwaar. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door M. ter Brugge, in aanwezigheid van griffier J.M.M. van Dalen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie van maart 2016 is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na nabetaling.