Uitspraak
17.6091 WIA
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant viel op 27 januari 2014 uit voor zijn werkzaamheden en vroeg op 18 januari 2016 een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering per 25 januari 2016 omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de medische situatie en de psychische klachten voldoende waren meegewogen in de beoordeling.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij volledig arbeidsongeschikt was en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn hartconditie en psychische klachten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe medische stukken had ingediend en dat de verzekeringsarts de beperkingen adequaat had beoordeeld. De Raad vond de Functionele Mogelijkhedenlijst en de voorbeeldfuncties passend en overtuigend gemotiveerd.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de WIA-uitkering had geweigerd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.