ECLI:NL:CRVB:2018:3312
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag
Appellante was werkzaam als huishoudelijke hulp en meldde zich ziek wegens nek-, schouder-, pols- en spanningsklachten. Het UWV stelde op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidsdeskundig onderzoek vast dat haar arbeidsongeschiktheid 15,77% bedroeg, waardoor geen recht op een WIA-uitkering bestond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van het UWV ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de medische informatie van behandelend artsen geen aanleiding gaf tot een andere beoordeling. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar diabetes, oogproblemen en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank de gronden van appellante volledig en gemotiveerd heeft besproken en dat appellante geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd. Daarom wordt het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzitter R.E. Bakker.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag.