ECLI:NL:CRVB:2018:328
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onterechte maatregel bij verlaging bijstand wegens vermeende onterechte ziekmelding voor re-integratietraject
Appellant ontvangt bijstand en was op 30 maart 2015 ziek gemeld voor een re-integratietraject bij het Trainings- en Diagnose Centrum. Het college legde een maatregel op door de bijstand met 100% te verlagen, omdat appellant volgens hen onvoldoende gebruik had gemaakt van het traject en zich ten onrechte ziek had gemeld. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel degelijk ziek was en dat het college ten onrechte van hem verlangde dit met objectieve medische gegevens te onderbouwen. De Raad oordeelde dat het college de bewijslast draagt om aannemelijk te maken dat appellant zich ten onrechte ziek heeft gemeld. De enkele omstandigheid dat appellant die dag met vrienden in de auto reed en aangaf een stukje te kunnen fietsen, was onvoldoende om dit te bewijzen.
Verder was niet vastgesteld dat appellant strafrechtelijk was veroordeeld voor de vermeende mishandeling en was de vermeende betrokkenheid niet expliciet aan de besluitvorming ten grondslag gelegd. Het college had ook niet aangetoond dat appellant eerder niet goed had meegewerkt aan het traject of zich eerder ten onrechte ziek had gemeld.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, herroept het besluit tot verlaging van de bijstand en veroordeelde het college in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het college heeft ten onrechte een maatregel opgelegd en het besluit tot verlaging van de bijstand wordt herroepen.