ECLI:NL:CRVB:2018:3255
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichtingskosten wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellante ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor kosten van woninginrichting. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag af omdat deze kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit het inkomen moeten worden voldaan, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelt appellante dat zij geen inkomen of vermogen heeft om de kosten te voldoen en dat zij wegens mishandeling door haar ex-echtgenoot plotseling moest verhuizen, waardoor zij geen meubels kon meenemen. De Raad toetst of deze omstandigheden bijzonder zijn en of appellante de mogelijkheid had om te reserveren.
De Raad oordeelt dat de beëindiging van de relatie en verhuizing niet voldoende onderscheidend zijn ten opzichte van andere vergelijkbare situaties. Ook is het mishandelingsverweer onvoldoende onderbouwd met bewijsstukken. Daarom zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die bijzondere bijstand rechtvaardigen.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor woninginrichtingskosten wordt afgewezen wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.