ECLI:NL:CRVB:2018:3221
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was tot april 2011 werkzaam als financieel administratief medewerkster en meldde zich in december 2011 ziek. Het UWV stelde vast dat zij vanaf december 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde haar uitkering. In augustus 2015 werd vastgesteld dat zij geen recht meer had op Ziektewet-uitkering. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond wegens een wijziging in de maatstaf arbeid, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met haar psychische problematiek en overhandigde aanvullende medische informatie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht, inclusief dossierstudie en lichamelijk en psychisch onderzoek. De Raad vond dat de psychische en lichamelijke klachten van appellante voldoende waren meegewogen en dat het oordeel van het UWV niet onzorgvuldig was. De aanvullende medische stukken in hoger beroep veranderden de beoordeling niet, zodat het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.