ECLI:NL:CRVB:2018:3198
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet hoofdverblijf op opgegeven adres
Appellant ontving sinds maart 2013 bijstand en huurde een woning die als uitkeringsadres stond geregistreerd. Na een melding dat appellant niet op dit adres woonde, stelde het college een onderzoek in, waarbij verklaringen van appellant en zijn broer, buurtonderzoek en verbruikscijfers werden verzameld.
Op basis van deze onderzoeksresultaten besloot het college de bijstand vanaf maart 2013 in te trekken en de kosten terug te vorderen, omdat appellant niet had gemeld dat hij zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn verklaring onder dwang was afgelegd en dat de verklaring van zijn broer niet serieus genomen kon worden. De Raad verwierp deze gronden en oordeelde dat de verklaringen en het dossier voldoende bewijs boden dat appellant niet op het opgegeven adres verbleef.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de terugvordering worden bevestigd.