ECLI:NL:CRVB:2018:3168
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens vermeend ontbreken hoofdverblijf niet gegrond verklaard
Appellant ontving sinds maart 2013 bijstand op een adres waar hij volgens de basisregistratie personen stond ingeschreven. Na een melding dat appellant's broer niet meer op dat adres woonde, startte het college een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Dit onderzoek omvatte dossieronderzoek, energie- en waterverbruikscijfers, een onaangekondigd huisbezoek, een buurtonderzoek en verklaringen van appellant.
Op basis van deze bevindingen trok het college bij besluit van 23 september 2015 de bijstand in en vorderde de kosten terug over de periode maart 2013 tot juli 2015, stellende dat appellant zijn hoofdverblijf niet had op het opgegeven adres en daarmee zijn inlichtingenverplichting had geschonden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het college onvoldoende bewijs had geleverd dat hij niet zijn hoofdverblijf had op het adres. De Raad oordeelde dat verklaringen van appellant, verbruiksgegevens en het buurtonderzoek onvoldoende waren om het ontbreken van hoofdverblijf aannemelijk te maken. Het college had niet doorgevraagd en het bewijs was onvoldoende concreet en specifiek.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, herroept het intrekkingsbesluit en veroordeelde het college tot vergoeding van de kosten van appellant. De Raad stelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres gedurende de gehele periode.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd en herroepen wegens onvoldoende bewijs van het ontbreken van hoofdverblijf.