ECLI:NL:CRVB:2018:3144
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, viel in 2005 uit wegens arbeidsongeschiktheid en ontving een WIA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2015 stelde het UWV dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder 35%, waarna de uitkering werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten niet waren afgenomen en dat de beperkingen onvoldoende waren vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De medische rapporten toonden aan dat de klachten van appellante waren meegewogen en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen wegens gebrek aan twijfel over de medische beoordeling.
Ook de geschiktheid van de geselecteerde functies werd bevestigd. De Raad concludeerde dat de beëindiging van de WIA-uitkering per 1 september 2015 terecht was en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 1 september 2015.