ECLI:NL:CRVB:2018:3136
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onduidelijke woon- en leefsituatie
Appellant heeft bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet en opgegeven te verblijven op een specifiek adres waar hij een bed tot zijn beschikking had. Een onderzoek door de gemeente Amsterdam wees uit dat appellant geen overtuigend bewijs leverde van zijn daadwerkelijke hoofdverblijf op dat adres. Tijdens een huisbezoek werden tegenstrijdigheden geconstateerd, zoals het ontbreken van persoonlijke verzorgingsartikelen en administratie, en het feit dat appellant overdag op straat verbleef.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij in de relevante periode op het opgegeven adres woonde. In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, maar kon hij geen nieuwe feiten of argumenten aandragen die het oordeel van de rechtbank zouden ondermijnen.
De Raad concludeerde dat de taalbarrière die appellant aanvoerde niet aannemelijk was gemaakt, mede omdat een tolk aanwezig was tijdens het gesprek. Ook het argument dat appellant tot een bijzondere doelgroep van dak- en thuislozen behoort, werd verworpen omdat hij een vaste verblijfplaats had opgegeven. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd.