ECLI:NL:CRVB:2018:3048
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en passende functies
Appellante was medewerkster in de tuinbouw en meldde zich ziek sinds januari 2008, met een hernieuwde ziekmelding in maart 2010. Het UWV stelde in maart 2012 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. In juli 2015 bevestigde het UWV dit besluit na een medisch en arbeidskundig onderzoek, waarop appellante bezwaar maakte met aanvullende medische rapporten.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de belastbaarheid van appellante in de geselecteerde functies niet werd overschreden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom het rapport van een onafhankelijke verzekeringsarts niet werd gevolgd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bestreden besluit berust op een juiste medische grondslag en dat de klachten van appellante voldoende in acht zijn genomen. De afwijkende conclusie van de verzekeringsarts Siem-Yoe werd niet gevolgd vanwege gebrek aan motivatie en onduidelijkheid over de toepassingsdatum van het onderzoek. Ook de arbeidsdeskundige die zich baseerde op het rapport van Siem-Yoe kon niet gevolgd worden.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.