ECLI:NL:CRVB:2018:3032

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 oktober 2018
Publicatiedatum
4 oktober 2018
Zaaknummer
18/659 AOR
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 AORArt. 2 Wubo
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag op grond van Algemene Oorlogsongevallenregeling en Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers

Appellant, geboren in 1940, diende in maart 2017 aanvragen in bij de Pensioen- en Uitkeringsraad op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvragen werden door verweerder afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in de relevante periode in Nederlands-Indië is getroffen door oorlogsgeweld.

Appellant stelde dat hij tijdens de oorlogsjaren geïnterneerd was geweest in kamp Halmaheira te Semarang, maar onderzoek door het Nederlandse Rode Kruis, Stichting Administratie Indonesische Pensioenen en verweerder leverde geen bevestiging op. Ook de verklaring van een getuige die samen met de broer van appellant geïnterneerd zou zijn geweest, werd niet als voldoende bewijs erkend. De Raad concludeerde dat appellant niet als oorlogsgetroffene in de zin van de AOR kon worden aanvaard.

Ten aanzien van de Wubo, die strengere criteria hanteert dan de AOR, oordeelde de Raad eveneens dat niet aannemelijk was gemaakt dat appellant door oorlogsgeweld was getroffen. De beroepen tegen de afwijzingen werden ongegrond verklaard en de bestreden besluiten bleven in stand. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvragen op grond van de AOR en Wubo blijft in stand.

Uitspraak

18.569 AOR, 18/571 WUBO

Datum uitspraak: 4 oktober 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in de gedingen tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder van 10 januari 2018, kenmerk BZ011142914 (bestreden besluit 1) onderscheidenlijk kenmerk (bestreden besluit 2). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) onderscheidenlijk de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.L. van de Wiel. Op verzoek van appellant is ter zitting verschenen en als getuige gehoord zijn [naam broer van appellant], wonende te [X.].

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1940, heeft in maart 2017 bij verweerder aanvragen ingediend om toekenningen op grond van de AOR en Wubo.
1.2.
Verweerder heeft de AOR-aanvraag afgewezen bij besluit van 22 augustus 2017, na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit 1, op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant in omstandigheden heeft verkeerd in de zin van de AOR in het voormalig Nederlands-Indië gedurende de periode van 8 december 1941 tot 1 februari 1954.
1.3.
De Wubo-aanvraag is afgewezen bij besluit van eveneens 22 augustus 2017, na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit 2, op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

AOR

2.1.1. Op grond van artikel 1 van Pro de AOR - zoals aangevuld bij Ordonnantie van 5 november 1945 (Ned. Ind. Stb. 1946, 118) - wordt onder oorlogsletsel verstaan, voor zover hier van belang:
het lichamelijk, dan wel geestelijk letsel, ziekte daaronder begrepen, hetwelk aan een persoon is overkomen
- als gevolg van een actie van de vijand, van enige handeling of nalatigheid van een onderdeel of lid van de weermacht of van de burgerlijke hulpdiensten in tijd van feitelijke oorlog, dan wel van maatregelen of omstandigheden welke met de oorlogsvoering onverbrekelijk samenhangen;
- gedurende internering, krijgsgevangenschap, gedwongen tewerkstelling, of gedurende gevangenschap, vooronderzoek dan wel aanhouding, als gevolg van verdenking wegens daden, welke gericht waren tegen de bevelen van het Japanse bezettingsleger en niet vallen onder het gewone strafrecht;
- in de periode vanaf 15 augustus 1945 (tot 13 januari 1954, zoals later is bepaald) als gevolg van tegen hem gerichte actie van de bedrijvers van de ongeregeldheden, welke na de capitulatie van Japan in Nederlands-Indië zijn ontstaan, dan wel als gevolg van de maatregelen tot herstel van de orde en rust genomen.
2.1.2. Verweerder stelt dat niet is gebleken dat appellant in omstandigheden heeft verkeerd als bedoeld in de AOR.
2.1.3. Appellant heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij tijdens de oorlogsjaren geïnterneerd is geweest in het kamp Halmaheira te Semarang. Het Nederlandse Rode Kruis en de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen hebben geen gegevens van appellant aangetroffen. Een (nader) onderzoek door verweerder in de hem ter beschikking staande geautomatiseerde systemen naar de door appellant genoemde namen [A.], [B.] en [C.] heeft geen informatie over appellant of zijn familie opgeleverd. Appellant heeft nog verwezen naar de verklaring van [D.] die in 2013 is overgelegd in een Wubo-procedure van zijn [naam broer van appellant]. In die verklaring stelt [D.] dat hij samen met de broer van appellant geïnterneerd is geweest in kamp Halmaheira. Aan die verklaring kan echter niet de waarde worden gehecht die appellant daaraan gehecht wil zien, omdat [D.] in het kader van de oorlogswetgeving is erkend op grond van internering in Melaten 5 te Semarang. Van een internering in Halmaheira is niet gebleken. Van de broer van appellant is evenmin aanvaard dat hij internering heeft ondergaan. Overigens blijkt uit het relatiedossier van de moeder van appellant dat zij zelf nimmer geïnterneerd is geweest. Het voorgaande brengt mee dat appellant niet kan worden aanvaard als oorlogsgetroffene in de zin van de AOR.

WUBO

2.2.1.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalig Nederlands-Indië (de Bersiap-periode) als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen ten gevolge van:
- met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;
- tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;
- confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.
2.2.2.
In het licht van wat onder 2.1.3 is overwogen en in aanmerking genomen dat de AOR ruimere criteria kent voor het aanvaarden van oorlogsgebeurtenissen dan de Wubo, kan niet anders worden geoordeeld dan dat niet aannemelijk is geworden dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo.
2.3.
Uit 2.1.3 en 2.2.2 volgt dat de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. De beroepen zullen ongegrond worden verklaard.
3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond
.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2018.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) S.H.H. Slaats

JL