Uitspraak
18.569 AOR, 18/571 WUBO
OVERWEGINGEN
AOR
WUBO
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1940, diende in maart 2017 aanvragen in bij de Pensioen- en Uitkeringsraad op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvragen werden door verweerder afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in de relevante periode in Nederlands-Indië is getroffen door oorlogsgeweld.
Appellant stelde dat hij tijdens de oorlogsjaren geïnterneerd was geweest in kamp Halmaheira te Semarang, maar onderzoek door het Nederlandse Rode Kruis, Stichting Administratie Indonesische Pensioenen en verweerder leverde geen bevestiging op. Ook de verklaring van een getuige die samen met de broer van appellant geïnterneerd zou zijn geweest, werd niet als voldoende bewijs erkend. De Raad concludeerde dat appellant niet als oorlogsgetroffene in de zin van de AOR kon worden aanvaard.
Ten aanzien van de Wubo, die strengere criteria hanteert dan de AOR, oordeelde de Raad eveneens dat niet aannemelijk was gemaakt dat appellant door oorlogsgeweld was getroffen. De beroepen tegen de afwijzingen werden ongegrond verklaard en de bestreden besluiten bleven in stand. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvragen op grond van de AOR en Wubo blijft in stand.