ECLI:NL:CRVB:2018:2957
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet, maar het college trok deze bijstand in voor de periode van 15 oktober 2015 tot 15 maart 2016 vanwege schending van de inlichtingenverplichting. Het geschil draait om de vraag of appellant voldoende objectieve en verifieerbare informatie heeft verstrekt over zijn financiële situatie, met name over de financiering van hoge hypotheeklasten, het gebruik van een auto en de aanwezigheid van contant geld in zijn woning.
Appellant stelde dat hij met zijn verklaringen, ingediende stukken, verklaringen van derden en schuldbekentenissen voldoende duidelijkheid had gegeven. De rechtbank oordeelde echter dat er te veel onduidelijkheid bleef bestaan en dat het college daardoor niet kon vaststellen of appellant in de betreffende periode bijstandbehoevend was. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en verwijst naar de gemotiveerde overwegingen van de rechtbank.
Het hoger beroep wordt verworpen omdat appellant geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die het oordeel van de rechtbank onjuist of onvolledig maken. Ook is er geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De Raad bevestigt daarmee het bestreden besluit van het college, dat de bijstand introk en de kosten terugvorderde wegens schending van de inlichtingenverplichting.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.