ECLI:NL:CRVB:2018:2937
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor arbeid
Appellante was werkzaam als aankomend commercieel medewerkster binnendienst en meldde zich ziek met pijnklachten en moeheid. Haar dienstverband eindigde op 3 juni 2015 waarna zij een Ziektewet-uitkering ontving. Het Uwv stelde echter bij besluit van 10 juli 2015 vast dat zij geen recht had op ziekengeld vanaf die datum. Dit besluit werd bij bezwaar en beroep gehandhaafd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij het medisch oordeel van de verzekeringsarts als zorgvuldig werd beoordeeld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen groter waren dan door het Uwv aangenomen, onderbouwd met medische informatie en verklaringen van haar ex-werkgever.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het Uwv het eerdere besluit niet langer kan handhaven en vernietigt het besluit van 24 september 2015. Het bestreden besluit van 5 maart 2018, waarin het Uwv het recht op Ziektewet-uitkering van 26 mei tot 8 augustus 2015 alsnog erkende, wordt echter niet vernietigd. De Raad stelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen zijn dat appellante op 8 augustus 2015 meer beperkingen had dan vastgesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 wordt ongegrond verklaard.
Tot slot veroordeelt de Raad het Uwv in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het eerdere besluit dat appellante geen recht had op Ziektewet-uitkering wordt vernietigd.