ECLI:NL:CRVB:2018:2922
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde mate van arbeidsongeschiktheid op grond van WAO ondanks CPH-klachten
Appellant, een senior innovation engineer, is sinds 1999 arbeidsongeschikt en ontvangt een WAO-uitkering. Hij meldde een verslechtering van zijn gezondheid per 3 februari 2015 door chronische paroxysmale hemicrania (CPH). Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat de beperkingen niet waren toegenomen en handhaafde de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%.
Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit, stellende dat hij vanaf 3 februari 2015 tot mei 2015 toegenomen arbeidsongeschikt was. De rechtbank wees dit beroep af, oordelend dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de diagnose CPH niet automatisch tot meer beperkingen leidt.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat de toename van arbeidsongeschiktheid niet gedurende vier weken onafgebroken heeft plaatsgevonden zoals vereist in artikel 38, eerste lid, van de WAO. De Raad vond de medische en arbeidsdeskundige rapporten overtuigend en concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd blijft. Wel werd vastgesteld dat het UWV-besluit niet zorgvuldig en niet deugdelijk gemotiveerd was, maar dit leidde niet tot een andere uitkomst.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant en bevestigde het bestreden besluit. De uitspraak benadrukt het belang van objectieve medische beoordeling en de eis van een onafgebroken periode van toegenomen arbeidsongeschiktheid voor herziening van de uitkering.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid blijft ongewijzigd op 65 tot 80% en het hoger beroep wordt afgewezen.