ECLI:NL:CRVB:2018:2901
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand na niet tijdig overleggen bankafschriften
Appellante ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet. Het college heeft haar meerdere keren opgeroepen voor gesprekken in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek, maar appellante verscheen niet of leverde niet de gevraagde bankafschriften aan.
Het college schortte het recht op bijstand op en trok deze later in vanwege het niet herstellen van het verzuim binnen de gestelde termijn. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de oproeptermijn van 24 uur niet onredelijk was en dat appellante onvoldoende had meegewerkt.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het college niet zonder aanleiding een onderzoek mocht starten, dat de oproeptermijn onredelijk kort was en dat zij het gesprek niet voortijdig had verlaten. De Raad verwierp deze gronden en bevestigde het oordeel van de rechtbank, waarbij werd benadrukt dat het college herhaaldelijk contact had gezocht en dat de bankafschriften noodzakelijk waren voor het onderzoek.
De Raad concludeert dat het college bevoegd was het recht op bijstand op te schorten en in te trekken en dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet tijdig kon voldoen aan de verzoeken. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens het niet tijdig overleggen van bankafschriften en onvoldoende medewerking.