ECLI:NL:CRVB:2018:2894
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als filiaalmedewerkster, meldde zich ziek met diverse klachten en verzocht het UWV om een WIA-uitkering. Het UWV wees dit af omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht, ondanks dat zij niet meer geschikt was voor haar eigen werk, maar wel voor andere functies. Dit besluit werd ondersteund door medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijsten.
Appellante maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het bezwaar ongegrond verklaarde. De rechtbank vond het medisch oordeel van de verzekeringsarts juist en voldoende onderbouwd, ook rekening houdend met medicatie, specialistische informatie en beperkingen vastgesteld door de bedrijfsarts. De rechtbank oordeelde dat appellante niet volledig arbeidsongeschikt was en dat de geduide functies passend waren.
In hoger beroep stelde appellante dat het onlogisch was dat binnen het ZW- en WIA-kader verschillende conclusies worden getrokken en dat haar beperkingen onderschat waren. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en het UWV, waarbij werd gewezen op het verschillende beoordelingskader van ZW en WIA en het ontbreken van nieuwe objectieve medische gegevens.
De Raad bevestigde dat de geduide functies passend zijn en dat de stelling van appellante dat zij niet kan samenwerken onvoldoende onderbouwd was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen WIA-uitkering toekomt wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.