Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, had betrokkene met ingang van 4 december 2015 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering met een vastgesteld dagloon van €36,15. Betrokkene maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door appellant ongegrond werd verklaard. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit en gaf appellant opdracht een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, tevens veroordeelde zij appellant tot vergoeding van proceskosten.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat de wettelijke bepalingen omtrent dagloonvaststelling dwingendrechtelijk zijn en niet ter afwijking kunnen worden toegepast. Betrokkene bepleitte bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. Vervolgens heeft appellant bij een gewijzigde beslissing op bezwaar het bezwaar alsnog gegrond verklaard en het dagloon verhoogd naar €128,97, conform eerdere uitspraken van de Raad.
Betrokkene gaf aan dat hiermee aan zijn bezwaren was voldaan en verzocht om vergoeding van proceskosten in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat appellant met de gewijzigde beslissing aan de opdracht van de rechtbank heeft voldaan en betrokkene geen belang meer heeft bij een rechterlijk oordeel. De Raad veroordeelde appellant tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene en legde griffierecht op.