ECLI:NL:CRVB:2018:2774
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziekengeld wegens voldoende verdiencapaciteit na eerste ziektejaar bevestigd
Appellant was productiemedewerker en meldde zich ziek met psychische en locomotore klachten. Het UWV kende hem ziekengeld toe op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars beoordeling in juni 2015 stelde een verzekeringsarts beperkingen vast en een arbeidsdeskundige berekende dat appellant nog 69,06% van zijn maatmaninkomen kon verdienen in drie geselecteerde functies.
Het UWV beëindigde het ziekengeld per 23 oktober 2015 omdat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigde dit oordeel in juli 2016, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de arbeidsdeskundige de verdiencapaciteit juist had vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de gronden terecht had verworpen. De Raad bevestigde dat appellant op grond van artikel 19aa ZW geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van het ziekengeld bevestigd.