ECLI:NL:CRVB:2018:2763
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig softwareontwikkelaar, meldde zich ziek na een hersenontsteking in 2011 en vroeg in 2013 een WIA-uitkering aan. Na medisch en arbeidsdeskundig onderzoek stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische beperkingen adequaat waren vastgesteld en dat een urenbeperking niet nodig was zolang passend werk werd verricht. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen en vermoeidheidsklachten werden onderschat en dat de neuropsychologische bevindingen niet goed waren meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het besluit voldoende was gemotiveerd. Het neuropsychologisch onderzoek toonde geen evidente afwijkingen en de beperkingen waren passend vastgesteld. De urenbeperking werd niet geïndiceerd omdat de klachten niet leidden tot een psychiatrische aandoening en de thuissituatie niet als rechtstreeks gevolg van ziekte werd gezien.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.