Uitspraak
17.1032 AW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
bedrag van € 500,-;
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als politieambtenaar, voerde werkzaamheden uit binnen het project [project] en betwistte dat deze passend waren binnen zijn toegekende functiebeschrijving van [functie 2]. Na eerdere vernietiging door de rechtbank Limburg, heeft de korpschef opnieuw besloten dat de functie van [functie 2] passend is bij de werkzaamheden van appellant. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelt dat de werkzaamheden van appellant, waaronder het opbouwen en onderhouden van netwerken, organiseren van bijeenkomsten en rapporteren over voortgang, passen binnen de functiebeschrijving van [functie 2]. Er is geen sprake van een complex project dat rechtvaardigt dat appellant in een hogere functie, [functie 3], geplaatst wordt. De Raad acht het oordeel van de korpschef en rechtbank niet onhoudbaar.
Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar met ruim vier maanden is overschreden, geheel toe te rekenen aan de korpschef. De Raad kent appellant een immateriële schadevergoeding toe van €500,- en veroordeelt de korpschef tot betaling van proceskosten van €250,50.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de korpschef wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.