ECLI:NL:CRVB:2018:2615
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens niet aannemelijk hoofdverblijf na huisbezoek
Appellant vroeg op 6 november 2015 bijstand aan en gaf een adres op waar hij zou wonen. Tijdens een intakegesprek verklaarde hij een kamer te huren bij de hoofdbewoner en een huurcontract te hebben, hoewel ongetekend en zonder betaling.
Op 14 december 2015 brachten casemanagers van de gemeente Buren een onaangekondigd huisbezoek aan het opgegeven adres. De deur werd geopend door een vrouw die alleen Engels sprak en verklaarde tijdelijk in onderhuur te wonen. De woning werd geïnspecteerd en de situatie kwam niet overeen met de door appellant opgegeven woonsituatie; er werden geen persoonlijke spullen van appellant aangetroffen.
Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het adres had. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het huisbezoek onrechtmatig was omdat de toestemming van de vrouw niet rechtsgeldig was en er geen tolk was ingeschakeld.
De Raad oordeelde dat de casemanagers redelijkerwijs mochten aannemen dat de vrouw een bewoner was en dat zij de situatie begreep, waardoor het huisbezoek rechtmatig was. Appellant maakte niet aannemelijk dat hij op het adres woonde. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres.