Appellant was werkzaam bij de gemeente en werd ontslagen wegens plichtsverzuim gerelateerd aan het onterecht seponeren van parkeerbonnen die aan hem waren uitgeschreven. Het college legde hem onvoorwaardelijk ontslag op na een onderzoek en bezwaarprocedure. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het ontslag.
In hoger beroep betwistte appellant de beschuldigingen grotendeels en stelde dat hij slechts schuldig was aan het verzoek om een parkeerbon te seponeren en het afleggen van een onjuiste verklaring daarover. De Raad beoordeelde het bewijs en concludeerde dat onvoldoende duidelijk was wat er precies was gebeurd bij het seponeren van de bonnen van 7 februari en 25 juni 2015, mede vanwege wisselende verklaringen en het ontbreken van objectieve gegevens ter ondersteuning van de verklaringen van collega’s.
De Raad achtte alleen het verwijtbaar niet informeren van de leidinggevende over het seponeren van de parkeerbon van 3 maart 2015 als plichtsverzuim bewezen. Gelet op de omstandigheden, waaronder het feit dat de zoon van appellant de auto parkeerde en dat het vaker voorkwam dat parkeerhandhavers kort op verboden plekken parkeerden, vond de Raad het onvoorwaardelijk ontslag te zwaar. Daarom vernietigde de Raad het besluit en legde voorwaardelijk ontslag op met een proeftijd van twee jaar, waarbij het ontslag niet wordt uitgevoerd als appellant zich niet opnieuw schuldig maakt aan ernstig plichtsverzuim. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.