ECLI:NL:CRVB:2018:2552
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen korting AOW-uitkering en weigering partnertoeslag
Appellant, geboren in 1950, heeft hoger beroep ingesteld tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) dat zijn AOW-uitkering met 66% korting toekent wegens niet-verzekerde periodes. De Svb paste de korting later aan naar 62%, wat resulteerde in een pensioen van 38% van het volledige bedrag. Appellant betwistte de korting en de weigering van een partnertoeslag.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat hij in de betwiste periodes verzekerd was voor de AOW. Documenten die appellant aanvoerde, zoals een verklaring van een fabriek en inschrijving bij een ziekenfonds, waren onvoldoende overtuigend en konden betrekking hebben op een andere persoon met dezelfde achternaam. Bovendien stelde appellant zelf dat hij pas in september 1990 voor het eerst in Nederland kwam.
Daarom is vastgesteld dat appellant 31 jaar niet verzekerd was, wat de korting van 62% rechtvaardigt. De Raad vernietigde eerdere uitspraken en besluiten voor zover die de niet-verzekerde periodes betroffen, maar verklaarde het beroep tegen het aangepaste besluit van 7 februari 2017 ongegrond. Ten aanzien van de partnertoeslag oordeelde de Raad dat appellant niet aan de wettelijke voorwaarden voldoet, omdat hij pas vanaf oktober 2015 recht heeft op AOW en niet vóór 1 januari 2015 was gehuwd.
De Raad bevestigde de weigering van de partnertoeslag en wees het beroep daarop af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd, maar appellant kreeg het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep gegrond voor de niet-verzekerde periodes en ongegrond voor de partnertoeslag, met een AOW-uitkering van 38%.