ECLI:NL:CRVB:2018:2534
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budget wegens niet-naleving administratieve verplichtingen
Appellante ontving voor 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van €10.230,-. Het Zorgkantoor stelde dit bedrag bij besluit van 28 juli 2015 op nihil vast en vorderde het gehele bedrag terug, wegens onvoldoende verantwoording van de besteding. Appellante maakte bezwaar tegen de afwijzing van gedeelten van de verantwoorde kosten voor zorgverleners.
Na bezwaar stelde het Zorgkantoor het pgb nader vast op €150,- en verminderde de terugvordering dienovereenkomstig. Het bestreden besluit berustte op het standpunt dat appellante niet voldeed aan de administratieve verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa). De zorgovereenkomsten en declaraties vertoonden gebreken, en de zorg was niet aantoonbaar volgens de afspraken ingekocht.
De rechtbank stelde het pgb vast op €648,75 en bepaalde een terugvordering van €9.581,25. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en voerde aan dat de zorgovereenkomsten en verantwoordingen juist waren, en dat eerdere jaren vergelijkbaar waren goedgekeurd.
De Raad oordeelde dat appellante niet voldeed aan de administratieve verplichtingen en dat het Zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen. De belangenafweging van het Zorgkantoor werd onderschreven, en de door appellante aangevoerde omstandigheden boden geen reden tot anders. Het hoger beroep werd verworpen, het bestreden besluit bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het pgb wordt bevestigd op €648,75 met terugvordering van €9.581,25.