Uitspraak
17.4937 WUBO
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1946, diende in augustus 2014 een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvraag werd afgewezen omdat onvoldoende was aangetoond dat appellant oorlogsgeweld had meegemaakt tijdens de Bersiap-periode. Na bezwaar en beroep, waarbij het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens niet betalen van griffierecht, verzocht appellant in november 2016 opnieuw om toekenning.
Dit verzoek werd eveneens afgewezen omdat appellant geen nieuwe feiten of gegevens aanvoerde die een herziening van de eerdere afwijzing rechtvaardigen. De Raad toetste het bestreden besluit terughoudend vanwege de discretionaire bevoegdheid van verweerder, maar concludeerde dat appellant slechts zijn eerdere stellingen herhaalde zonder nieuwe bewijsstukken.
Getuigen waren overleden en verklaringen van ouders van appellant boden geen bevestiging. De eigen verklaring van appellant zonder ondersteunend bewijs volstaat niet volgens vaste rechtspraak. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van het herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten of gegevens.