ECLI:NL:CRVB:2018:2405
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding op grond van onweerlegbaar rechtsvermoeden
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en woonde formeel op een uitkeringsadres. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag stelde na anonieme meldingen een onderzoek in naar haar woonsituatie, waarbij onder meer dossieronderzoek, waterverbruikgegevens en een gesprek op het gemeentehuis werden gebruikt.
Het college concludeerde dat appellante samen met haar partner op een ander adres woonde en een gezamenlijke huishouding voerde, waardoor zij geen recht had op bijstand als alleenstaande. De bijstand werd ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 januari 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding van toepassing is wanneer uit een relatie kinderen zijn geboren en de partners hetzelfde hoofdverblijf hebben. Appellante voerde aan dat zij niet samenwoonde, maar haar eigen verklaring en het hoge waterverbruik op het andere adres boden voldoende feitelijke grondslag voor het college.
De Raad verwierp het verweer dat de verklaring onder druk was afgelegd en vond geen aanleiding tot verder onderzoek. Het beroep slaagde niet, de intrekking en terugvordering bleven gehandhaafd en het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.