ECLI:NL:CRVB:2018:2376
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over arbeidsongeschiktheid en instandhouding rechtsgevolgen
Appellante was werkzaam als activiteitenbegeleidster en meldde zich ziek met heup- en knieklachten. Het UWV stelde vast dat zij geschikt was voor haar eigen werk en weigerde een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld en de functionele beperkingen juist werden beschreven.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar beperkingen waren onderschat en dat haar eigen werk niet geschikt was. Het UWV voerde aan dat haar functie als activiteitenbegeleidster niet meer voorkwam op de arbeidsmarkt, maar dat vergelijkbare functies wel beschikbaar waren. De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende had onderbouwd dat haar eigen werk op de arbeidsmarkt voorkwam en dat de arbeidskundige grondslag onjuist was.
De Raad vernietigde het bestreden besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat op basis van drie geschikte functies alsnog een juiste arbeidskundige schatting was gemaakt. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante. De Raad concludeerde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de functionele mogelijkheden juist waren vastgesteld, zonder aanleiding voor een urenbeperking.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van de arbeidskundige grondslag, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.