ECLI:NL:CRVB:2018:2346
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op collectief aanvullend vervoer op grond van de Wmo 2015
Appellante verzocht om een vervoersvoorziening in de vorm van collectief aanvullend vervoer (taxibus) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees dit verzoek af. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat het advies van de GGD-arts zorgvuldig was en de medische beoordeling juist.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar medische klachten in samenhang moesten worden beoordeeld en dat zij eerder wel een vervoersvoorziening had ontvangen. Tevens verzocht zij om benoeming van een deskundige. De Raad oordeelde dat appellante geen nieuwe gronden had aangevoerd die tot een ander oordeel konden leiden en onderschreef het oordeel van de rechtbank.
De Raad benadrukte dat het medisch onderzoek door de GGD-arts zorgvuldig was, appellante voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken te overleggen en dat onvoldoende twijfel was gezaaid over de inhoudelijke beoordeling. Het eerdere toekennen van een voorziening betekent niet automatisch recht op hernieuwde verstrekking. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het college mag het besluit handhaven geen collectief aanvullend vervoer toe te kennen.