ECLI:NL:CRVB:2018:2294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens onvoldoende onderhoudsbijdrage aan pleegdochter
Appellant vorderde kinderbijslag voor zijn pleegdochter over het vierde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde deze uitkering omdat appellant onvoldoende had bijgedragen aan het onderhoud van zijn dochter, die in een pleeggezin verblijft.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. Appellant had kassabonnen en vervoersbewijzen overgelegd als bewijs van onderhoud, maar het was onduidelijk of deze uitgaven daadwerkelijk voor zijn dochter waren gedaan. Bovendien waren de totale uitgaven onvoldoende om te voldoen aan de onderhoudseis van €416 per kwartaal.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij het resterende bedrag voor het onderhoud van zijn dochter had uitgegeven. Daarom bleef de weigering van kinderbijslag in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens onvoldoende bewijs van onderhoud aan de pleegdochter.