Uitspraak
16.4040 WIA
OVERWEGINGEN
.Na een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 23 juli 2013 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 63%. De hoogte van de
Centrale Raad van Beroep
Appellante, laatstelijk werkzaam als praktijkonderwijsassistente, meldde zich in 2007 ziek na een verkeersongeval met whiplash- en psychische klachten. Het UWV kende haar vanaf 2010 een WGA-uitkering toe, die in 2012 werd omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Na een herbeoordeling in 2013 werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 63%. In 2015 meldde appellante zich toegenomen arbeidsongeschikt, maar het UWV concludeerde na medisch onderzoek dat haar situatie ongewijzigd was en stelde haar belastbaarheid op basis van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vast, wat leidde tot het besluit dat zij vanaf 23 juli 2015 niet meer in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies de belastbaarheid niet overschreden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten niet juist waren vastgesteld, dat zij een urenbeperking had en dat er sprake was van een ongerechtvaardigde scheefgroei in de uurlonen van de geselecteerde functies. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen en belastbaarheid juist waren vastgesteld. De aangeleverde medische gegevens van appellante hadden geen directe relevantie voor de peildatum. Ook was de indeling van de functies correct en was er geen sprake van een ongerechtvaardigde scheefgroei.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante per 23 juli 2015 niet meer in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.