ECLI:NL:CRVB:2018:2219
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering na medische beoordeling met beperkingen in FML
Appellant ontvangt sinds 2009 een WIA-uitkering, die in 2015 werd beëindigd na een melding van verslechterde gezondheid. Het Uwv stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek dat appellant niet langer arbeidsongeschikt was voor de geselecteerde functies. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij het medisch oordeel van het Uwv zorgvuldig werd bevonden.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, onder meer met verwijzing naar versleten ruggenwervels, hartproblemen en vermoeidheid, en stelde dat een urenbeperking noodzakelijk was. Hij overhandigde medische stukken van diverse specialisten ter onderbouwing. Het Uwv verwees naar eerdere rapporten van verzekeringsartsen die de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voldoende achtten.
De Raad overwoog dat de gronden in hoger beroep grotendeels een herhaling waren van eerdere bezwaren die door de rechtbank terecht waren verworpen. De verzekeringsartsen hadden alle relevante klachten en medische informatie betrokken en voldoende beperkingen in de FML opgenomen. De Raad vond de motivering van het Uwv overtuigend, ook omdat de medische informatie geen aanwijzingen gaf voor ernstiger beperkingen zoals hartfalen. De Raad sloot zich aan bij de rechtbank dat appellant met de beperkingen in de FML in staat is de geselecteerde lichte functies te verrichten.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het beroep en handhaving van de beëindiging van de WIA-uitkering.