Uitspraak
16.5048 ZW
21 juni 2016, 15/4104 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig tramconducteur, meldde zich ziek wegens rug-, knie- en psychische klachten. Het UWV stelde vast dat appellant per 18 februari 2015 geschikt was voor bepaalde functies en daarom geen recht had op Ziektewet-uitkering. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat rekening werd gehouden met alle medische informatie, inclusief PTSS-klachten.
Appellant ging in hoger beroep en herhaalde zijn bezwaren over de zorgvuldigheid van het onderzoek en de erkenning van zijn psychische klachten, waaronder PTSS en suïcidepogingen. Hij overhandigde aanvullende medische stukken ter onderbouwing. Het UWV handhaafde haar standpunt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gronden van appellant in hoger beroep grotendeels een herhaling waren van eerdere bezwaren die reeds gemotiveerd waren beoordeeld. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en volledigheid van het medisch onderzoek. Ook werd bevestigd dat de PTSS-klachten waren meegenomen in de beoordeling. Medische informatie die na de datum in geding was verkregen, kon niet worden meegewogen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Ziektewet-uitkering bevestigd.