ECLI:NL:CRVB:2018:2197
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellant ontvangt sinds 2003 een WAO-uitkering, die in 2006 werd vastgesteld op een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Vanaf 2013 stelt appellant dat zijn lichamelijke en psychische klachten zijn toegenomen, hetgeen hij in 2014 aan het UWV meldde. Het UWV liet verzekeringsartsen een medisch onderzoek uitvoeren, die concludeerden dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst ongewijzigd bleef.
Het UWV besloot daarom de uitkering niet te wijzigen. Appellant maakte bezwaar, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond, omdat het medisch onderzoek volledig en zorgvuldig was en appellant zijn stellingen niet met medische gegevens had onderbouwd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling dat zijn klachten zijn toegenomen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de medische conclusies. Omdat appellant geen aanvullende medische onderbouwing had geleverd, werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.