ECLI:NL:CRVB:2018:2147
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen werkzaamheden als dj
Appellant ontving bijstand vanaf augustus 2011, maar het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam ontdekte via een IB-signaal dat appellant inkomsten had uit arbeid en een eigen bedrijf als dj die niet waren gemeld. Het college schortte het recht op bijstand op en trok deze later in, met terugvordering van de bijstandskosten over de periode 2012 tot en met 2014.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij aanvullende inkomensgegevens had overgelegd die het recht op bijstand konden bevestigen. De Raad oordeelde echter dat de overgelegde facturen en factuuroverzichten onvoldoende volledig en consistent waren, en dat er onvoldoende verifieerbare gegevens waren om het recht op bijstand vast te stellen.
De Raad overwoog dat de schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond vormt voor intrekking van de bijstand indien het recht niet kan worden vastgesteld. Omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij recht had op bijstand over de betwiste periode, werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 3 juli 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.