ECLI:NL:CRVB:2018:2143
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling proceskostenvergoeding in hoger beroep tegen UWV-besluiten WW-uitkering
Appellant stelde beroep in tegen een besluit van het UWV dat hem de WW-uitkering ontzegde wegens onvoldoende arbeidsverleden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit gegrond, vernietigde dat besluit en beval een nieuwe beslissing. De rechtbank veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten van appellant.
Appellant betwistte in hoger beroep de omvang van de proceskostenvergoeding, stellende dat hij twee beroepschriften had ingediend en dat de rechtbank ten onrechte slechts één keer vergoeding voor het bijwonen van een zitting had toegekend. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant slechts één beroepschrift had ingediend en dat de rechtbank het beroep mede had gericht tegen het tweede besluit.
Verder was er geen aanleiding voor een hogere vergoeding voor het bijwonen van de zitting, omdat slechts één zitting had plaatsgevonden. De Raad bevestigde ook dat het UWV terecht niet was veroordeeld tot vergoeding van de kosten van bezwaar, omdat het niet duidelijk was of het besluit zou worden herroepen.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevochten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.