ECLI:NL:CRVB:2018:2143

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2018
Publicatiedatum
13 juli 2018
Zaaknummer
16/1195 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 7:15 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling proceskostenvergoeding in hoger beroep tegen UWV-besluiten WW-uitkering

Appellant stelde beroep in tegen een besluit van het UWV dat hem de WW-uitkering ontzegde wegens onvoldoende arbeidsverleden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit gegrond, vernietigde dat besluit en beval een nieuwe beslissing. De rechtbank veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten van appellant.

Appellant betwistte in hoger beroep de omvang van de proceskostenvergoeding, stellende dat hij twee beroepschriften had ingediend en dat de rechtbank ten onrechte slechts één keer vergoeding voor het bijwonen van een zitting had toegekend. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant slechts één beroepschrift had ingediend en dat de rechtbank het beroep mede had gericht tegen het tweede besluit.

Verder was er geen aanleiding voor een hogere vergoeding voor het bijwonen van de zitting, omdat slechts één zitting had plaatsgevonden. De Raad bevestigde ook dat het UWV terecht niet was veroordeeld tot vergoeding van de kosten van bezwaar, omdat het niet duidelijk was of het besluit zou worden herroepen.

De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevochten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

16/1195 WW
Datum uitspraak: 11 juli 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
8 januari 2016, 15/4262 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. K. Celebi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2018 Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 5 februari 2015 heeft het Uwv appellant het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontzegd, omdat appellant te kennen had gegeven ziek te zijn.
1.2.
Bij besluit van 29 april 2015 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 februari 2015 niet-ontvankelijk verklaard (bestreden besluit 1).
1.3.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Hangende dat beroep heeft het Uwv bestreden besluit 1 ingetrokken en bij besluit van 20 oktober 2015 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard (bestreden besluit 2). Volgens het Uwv heeft appellant geen recht op een WW-uitkering, omdat hij in de 36 kalenderweken voordat hij werkloos werd niet in ten minste 26 kalenderweken had gewerkt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
29 april 2015 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 20 oktober 2015 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant te nemen. Verder heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 992,-. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten, omdat het Uwv bij bestreden besluit 2 het besluit van 5 februari 2015 niet heeft herroepen, maar het bezwaar ongegrond heeft verklaard.
3. Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen, voor zover de rechtbank het Uwv heeft veroordeeld in de vergoeding van de proceskosten. Volgens appellant heeft hij de rechtbank terecht om een proceskostenveroordeling van zes punten verzocht. Appellant heeft er in dat verband op gewezen dat hij tot twee keer toe een bezwaarprocedure heeft moeten opstarten. Voorts heeft de rechtbank slechts één keer één punt toegekend voor het indienen van een beroepschrift, terwijl appellant tot twee keer toe één beroepschrift heeft opgesteld. Ook is slechts één punt toegekend voor het bijwonen van de zitting, terwijl beide beroepschriften naast elkaar zijn behandeld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De stelling van appellant dat hij twee beroepschriften heeft ingediend, is onjuist. Appellant heeft immers slechts beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank dit beroep van rechtswege mede gericht geacht tegen bestreden besluit 2. Schriftelijke gronden tegen bestreden besluit 2 heeft appellant destijds niet kenbaar gemaakt aangezien appellant – zoals hij zelf heeft gesteld – dit besluit destijds niet heeft ontvangen.
4.2.
Voor een hogere vergoeding voor het bijwonen van een zitting is geen aanleiding. Naar aanleiding van het beroep van appellant heeft slechts één keer een zitting plaatsgevonden. De stelling van appellant dat de rechtbank beide beroepschriften naast elkaar heeft behandeld, is onjuist. Appellant heeft immers, zoals is overwogen onder 4.1, slechts één beroepschrift ingediend.
4.3.
Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van bezwaar heeft moeten maken, uitsluitend op verzoek van de belanghebbende vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Gelet op het feit dat de rechtbank het Uwv heeft opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant en het op dat moment niet duidelijk was of het Uwv het besluit van 5 februari 2015 zou herroepen, heeft de rechtbank het Uwv terecht niet veroordeeld tot vergoeding van kosten van het bezwaar.
4.4.
Uit wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2018.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) B. Dogan

RB