ECLI:NL:CRVB:2018:2129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 2010 ziek gemeld met psychische klachten en ontving vanaf 2012 een WGA-uitkering. In 2014 vond een herbeoordeling plaats waarbij het UWV vaststelde dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waarna de uitkering per 2015 werd beëindigd.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige het medisch en arbeidskundig onderzoek uitvoerden. De verzekeringsarts schakelde een psychiater/neuropsycholoog in, die een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en borderline kenmerken vaststelde, maar geen depressie. De arbeidsdeskundige stelde dat de geselecteerde functies medisch passend waren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de arbeidskundige onderbouwing voldoende. In hoger beroep voerde appellante aan dat de aanscherping van de FML aanleiding moest zijn het bezwaar gegrond te verklaren en dat haar beperkingen te licht waren ingeschat.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de aanscherping van de FML het rechtsgevolg niet wijzigde omdat de arbeidsongeschiktheid nog steeds onder 35% bleef. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan het medisch oordeel en bevestigde dat er geen sprake was van een depressie. De arbeidsdeskundige onderbouwing was in hoger beroep voldoende aangevuld, waardoor het besluit niet onrechtmatig was. Het hoger beroep werd afgewezen, maar het UWV werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en wijst het hoger beroep af.